Het broedseizoen

Als alle roofvogels al aan het broeden zijn en sommige soorten zelfs al jongen hebben grootgebracht, moet de boomvalk nog beginnen. Boomvalken zijn daarmee de laatst broedende roofvogels in Nederland. In mijn gebied, het Zuid-Hollandse eiland Voorne-Putten, wordt het nest vaak pas eind mei door de boomvalken betrokken en worden de eieren in de eerste weken van juni gelegd.

Waar hebben ze hun nesten?

Boomvalken komen ieder jaar terug naar het gebied waar zij het voorgaande jaar gebroed hebben (hun territorium). Zo'n territorium kan decennia achtereen gebruikt worden. Een boomvalk houdt net als alle roofvogels niet van mensen die te dichtbij komen. Maar in meer algemene zin hebben zij geen moeite met menselijke bedrijvigheid. Hun nest kan dus net zo makkelijk langs een sport- of bedrijfsterrein of een snelweg liggen, of juist volkomen afgelegen in een natuurgebied. Hoewel ze elk jaar naar hetzelfde gebied komen, gebruiken ze zelden hetzelfde nest als het jaar daarvoor. Ze zoeken dus elk jaar een nieuw geschikt nest.

Nestbouw? Nee.

Boomvalken bouwen zelf geen nesten. Zij gebruiken namelijk nesten van andere vogels, zoals kraaien (maar ook buizerds, eksters, blauwe reigers), liefst nesten die datzelfde jaar nog gebruikt zijn; deze zijn steviger dan verwaaide oude nesten.


kraaiennest wordt boomvalkennest

Dit nest lag pal naast een sporthal en woonwijk

kraaiennest word boomvalknest

zelfde locatie, maar nu een lagere boom (es)

Boomsoorten

Hier op Voorne-Putten zijn populieren favoriet, maar in andere gebieden verdienen juist naaldbomen de voorkeur. Elders volstaan weer loofbomen, zoals essen, eiken of wilgen. Die bomen kunnen in bosjes of parken staan of langs bedrijventerreinen. Meestal is een plek aan de rand favoriet of in elk geval ergens met een vrije aanvliegroute en goed uitzicht.

Hoogspanningsmasten

Kraaien en buizerds, en dus ook boomvalken, gebruiken steeds vaker hoogspanningsmasten als 'nestboom'. Deze zijn hoog, stevig, bieden een goed uitzicht en talrijke hoekjes om zich achter te verstoppen.

Nesten op rotsen of gebouwen?

Boomvalken nestelen vrijwel exclusief in bomen (en hoogspanningsmasten, wat in de ogen van vogels ook een soort bomen zijn). Er zijn sommige gevallen bekend van op kliffen broedende boomvalken, zoals in Centraal Azië. Ook in Noorwegen zijn gevallen bekend, waarbij oude ravennesten werden gebruikt. Meldingen van op gebouwen broedende boomvalken zijn op dit moment niet bekend.

Houtduiven

Houtduiven verblijven en nestelen vaak in de buurt van boomvalknesten, soms in dezelfde boom. Ze profiteren van de agressiviteit van boomvalken jegens andere roofvogels, zoals havik en slechtvalk, waar ook houtduiven van te duchten hebben. Bij het zoeken naar boomvalknesten kan de aanwezigheid van (veel) houtduiven een belangrijke indicatie zijn.

boomvalknest in hoogspanningsmast

een boomvalknest in het uiteinde van de traverse

houtduiven in een hoogspanningsmast

houtduiven in een mast? Grote kans dat hier een boomvalk broedt

Kunstnesten en de zin hiervan

Boomvalken accepteren soms kunstnesten. Die bestaan uit ondiepe, gevlochten manden. Ik ben zelf geen voorstander van kunstnesten. De enige eerlijke maatregel om de natuur te beschermen, is om ruimte voor de natuur te creëren. Niet door een lapmiddel aan een kapot gemaakt of verstoord gebied toe te voegen, zoals een kunstnest.

Paarvorming, balts en voortplanting

Terugkomst uit Afrika en paarvorming

Mannetjes en vrouwtjes trekken gescheiden. De mannen arriveren vanaf half april. Koppels die het jaar daarvoor een territorium hebben gehad, komen terug naar hetzelfde gebied. Als het mannetje in het jaar daarvoor al gepaard was, dan wacht hij tot zijn vrouwtje er ook is. Boomvalken zijn namelijk levenslang monogaam, tenzij een van de twee eerder overlijdt. Er zijn geen onomstotelijk bewezen gevallen van polygamie bekend.

Van de boomvalken die in het jaar daarvoor geboren zijn, keren de mannetjes meestal ook terug naar het gebied van hun geboorte. Dit heeft waarschijnlijk twee redenen:

  • Bekendheid met het gebied vergroot de overlevingskansen voor de jonge mannetjes en in de volgende jaren ook dat van hun vrouwtjes en jongen. Dit omdat de mannetjes het meeste jagen voor hun rekening nemen in het broedseizoen. Door kennis van het gebied weten ze waar dat het beste kan, waar gevaarlijke obstakels zijn en waar vijanden verwacht kunnen worden.
  • Jonge, niet gepaarde vrouwtjes komen meestal niet terug naar hun eigen gebied. Reden hiervan is waarschijnlijk het voorkomen van inteelt.


Geslachtsrijpheid

Eenjarige boomvalken zijn nog niet geslachtsrijp. Mannetjes die in het jaar daarvoor geboren zijn, zullen bij terugkeer in het territorium geen koppel met een vrouwtje vormen. Zij zwerven rond in het gebied en houden zich soms op in de buurt van het nest van broedende boomvalken. Soms helpen zij daar zelfs met het aanbrengen van prooien. Kort na terugkomst uit de overwinteringsgebieden zijn er daarom vaak een tijdje meer valken in het territorium dan alleen de twee die er gaan broeden.
Eenjarige vrouwtjes zijn ook niet geslachtsrijp, maar soms wel gepaard met een ouder mannetje. In dat eerste jaar wordt zelden nageslacht geproduceerd.
Tweejarige vogels zijn meestal gepaard en ook geslachtsrijp. Dat wil niet altijd zeggen dat ze succesvol broeden, want er moet natuurlijk wel een territorium vrij zijn.

Balts

Mannetjes die in het voorjaar bij het territorium aankomen, beginnen dit meteen af te bakenen. Het mannetje vestigt de aandacht op zich met indrukwekkende baltsvluchten, waarbij hij opgewonden roept. Soms vliegt hij in razendsnelle verticale golfbewegingen: steil omhoog, steil naar beneden en dan weer omhoog (pendelen). Dit gedrag begint al als het vrouwtje er nog niet is. Later vliegen zij samen al spelend en donderjagend, waarbij ze soms de klauwen naar elkaar uitslaan; alsof er een prooi wordt overgedragen (zie ook onder het tabblad ‘prooioverdracht’).
Het mannetje moet het vrouwtje elk jaar weer versieren en imponeren om haar in de stemming brengen om met hem te willen copuleren. Dus ook als hij al jaren een koppel met haar vormt. Boomvalken zijn dan wel hun leven lang monogaam, maar alleen in het broedseizoen leven zij als een echtpaar, met 'romantiek' en de plichten die daarbij horen. Het baltsen gebeurt in de weken voor de daadwerkelijke eileg en enige tijd daarna.

In de meeste, oudere boeken, wordt de vocale uitbundigheid van boomvalken uitgebreid uit de doeken gedaan. De tegenwoordige boomvalk, zeg vanaf pakweg het jaar 2000, gedraagt zich veel heimelijker en stiller.

Balts boomvalk

Vlak na terugkomst uit Afrika baltst een koppel boomvalken

Baltsvoederen

Kort na terugkomst uit Afrika jagen beide partners nog. Maar al snel stopt het vrouwtje daarmee. Het mannetje jaagt en brengt prooien voor haar mee. In deze tijd reikt hij de prooien meestal aan op een vaste post, een tak of een balk. Dit is in detail beschreven op de pagina 'jacht'.

Nestkeuze als onderdeel van de balts

Al tijdens de balts en als onderdeel hiervan, wordt een geschikt nest gekozen. Het mannetje prijst de nesten(*) aan. Dat doet hij door er een prooi aan te bieden, of door erop te gaan staan, te gaan zitten of zittend rondjes te draaien, alsof hij de nestkom aan het voorvormen is. Uiteindelijk beslist het vrouwtje. Daarbij kan zij behoorlijk wispelturig zijn. Het is voorgekomen dat ik op enig moment zeker dacht te weten welk nest het werd, om op het laatste moment toch te moeten vaststellen dat de eieren in een heel ander nest waren gelegd.
(*) Boomvalken bezoeken in de baltstijd vaak verschillende nesten, waarvan het vrouwtje er een uitkiest om haar eieren in te leggen. Soms liggen deze nesten honderden meters van elkaar vandaan.

Copulatie

En dan blijkt dat al het verleiden vruchten afwerpt en mag er gecopuleerd worden.Het stelt weinig voor, noch in tijd (slechts enkele seconden), noch in (geluids)intensiteit. Het mannetje maakt meestal geen geluid, het vrouwtje soms, in de vorm van een zacht en zangerig 'wiee-wiee-wiee'. Er gaat geen vast ritueel aan de copulatie vooraf. Het kan gebeuren nadat het vrouwtje gegeten heeft, na gezamenlijk vliegen, maar net zo goed na langdurig stilzitten. Wel roepen beide partners vaak een tijdje aan de paring voorafgaand en kunnen wij het mannetje op hoge poten zien staan, omhoog kijken, de kop naar achteren knikken, de nek rekken.
Na de paring zitten zij soms nog even naast elkaar, maar vaker vliegt het vrouwtje naar een post, waar zij haar verenpak een uitgebreide poetsbeurt geeft.
Heel soms doen ze ook een paring in de lucht, of iets wat daarop lijkt, zonder dat zeker is dat het een daadwerkelijke copulatie is.

Vanaf de eerste copulatie wordt het meerdere keren per dag gedaan, maar niet hoogfrequent. Het copuleren gaat nog door tot nadat de eieren zijn gelegd. Een keer heb ik gezien dat het nog gebeurde 3 weken nadat het laatste ei gelegd was.

copulatie boomvalken

En dan is het zover: er wordt gepaard

Eileg en legselgrootte.

Met het copuleren is de bereidheid van het vrouwtje om eieren te gaan leggen bezegeld. Naarmate het moment van de eileg dichterbij komt, bevindt het vrouwtje zich vaker en langduriger op het nest. Zij staat erop, draait rondjes op haar buik en gaat al in de broedhouding zitten. Door het copuleren zijn haar eieren daadwerkelijk bevrucht. Ongeveer om de andere dag wordt een nieuw ei gelegd. Het vrouwtje begint niet fulltime met broeden, maar wacht tot alle eieren zijn gelegd. Een legsel bedraagt gemiddeld iets minder dan 3 eieren (1, 2, 3 en zelden 4). Naarmate er meer eieren gelegd zijn, neemt de tijd die het vrouwtje broedt toe. Dit doet zij om te proberen om de jongen zo kort mogelijk na elkaar te laten uitkomen, bij voorkeur korter na elkaar dan de tijd die zat tussen het leggen van de afzonderlijke eieren.

Als het legsel compleet is, komt zij vrijwel niet meer van het nest, behalve om even te verzitten, een snelle hap te scoren in de vorm van een voorbijvliegend insect of om een muis van een torenvalk af te pakken (zie 'Prooisoorten'). Ook komt ze van het nest om een prooi van het mannetje over te nemen en op te eten. Vlak voor of tijdens de eileg, vult het vrouwtje haar kalkvoorraad soms aan door van het nest te komen om een eierschaal op te eten van uitgekomen andere vogelsoorten.

De eieren variëren in kleur van licht tot donkerder roodbruin en bevatten donkere vlekjes. Niet alle eieren van een legsel hebben altijd precies dezelfde kleur, zoals ook uit de onderstaande foto’s blijkt.

eieren, legsel van een boomvalk

drielegsel. Foto: Arjen de Haan

legsel boomvalk in kraaiennest

nog een drielegsel, duidelijk in een oud kraaiennest. Foto: Arjen de Haan

Mislukken van broedsel of nest.

Boomvalken, zelf roofdieren (predatoren), vallen zelf ook wel eens ten prooi aan rovers. Ook hun eieren of jongen. Gebeurt dat vroeg in de eifase, dan proberen ze een nieuw legsel te produceren. Als het hele nest verloren gaat, bijvoorbeeld door storm, wordt soms een nieuw nest uitgezocht waar alsnog een broedpoging gedaan wordt.

Opnieuw beginnen is een race tegen de klok. Boomvalken beginnen van alle roofvogels immers al het laatste met broeden (gemiddeld begin juni, met uitersten rond 20 juni). De jongen vliegen gemiddeld begin augustus tot uitersten rond 20 augustus pas uit en moeten vervolgens minimaal 6 weken klaar gemaakt worden voor de trek. Onder normale omstandigheden is het al een hele prestatie om de jongen in nazomer en najaar van voldoende voedsel te voorzien om op te groeien. Immers, veel van de zangvogels zijn zomergasten en al weggetrokken en jonge, gemakkelijk te verschalken zangvogels zijn opgegroeid, zodat ook die vijver begint leeg te raken. Bij een onverstoord broedseizoen valt het grootbrengen van de jongen samen met het op gang zijn van de insecten- en vogeltrek, waardoor er een onafgebroken stroom aan prooidieren voorbij komt. Maar een vertraging van enkele weken door een in de vroege fase verloren gegaan nest of broedsel, kan wel eens net te laat zijn. Gelukkig hebben zij een divers prooienspectrum hebben, zodat zij bij schaarste of uitputting van de ene voedselbron eenvoudig kunnen overschakelen op een andere.

Broeden

Het vrouwtje broedt. Het mannetje doet dat zeer incidenteel (de waarnemingen dat het wel gebeurt zijn zeldzaam en vaak onvolledig gedocumenteerd). Zelfs wordt het broeden doorgaans niet overgenomen in de korte tijd dat het vrouwtje weg is om te eten (torenvalken doen dit standaard wel). In de daadwerkelijke broedtijd komt het mannetje sowieso zelden in de buurt van het nest, zeker in de ei- en vroege jongenfase en als het wel gebeurt, nooit lang. Alleen het vrouwtje beschikt over een zogenaamde broedvlek, een kale plek op de buik die de overdracht van lichaamswarmte op eieren en jongen vergemakkelijkt.

Uitkomen eieren en nestjongenfase

Gemiddeld na 29 dagen komen de eerste eieren uit. In het begin worden de uitgekomen jongen nog warm gehouden of tegen de hitte van de zon beschermd of tegen regen. Dit doet het vrouwtje door op de jongen te zitten of hen af te schermen met haar vleugels. Aan de jongen in het nest is meestal een ontwikkelingsverschil te zien, omdat ze niet alle tegelijk uitgekomen zijn. Vooral tussen het eerste en het laatste jong kan dat verschil goed opvallen aan het ontwikkelingsstadium van het dons en/of eerste verenkleed. Soms is het oudere jong al bijna helemaal bevederd, terwijl het andere nog veel dons heeft.

De jongen die net uit zijn, zijn helemaal wit. Geleidelijk gaat dat over in lichtgrijs.
Dan ontstaan er naast de snavel donkere plekken, het maskertje.
Vervolgens komt de basis van de staartveren en handpennen tevoorschijn (bloedspoelen), waaruit zich de bruinvlekkerige veren ontwikkelen.
Langzaamaan ontstaat ook de bevedering van de rest van het lichaam, terwijl ook staart en vleugels gestaag verder groeien.
Het maskertje kleurt na verloop van tijd, als de jonge valk helemaal in de veren zit, naar licht oranje.

De transitie van eerste dons naar eerste verenpak vindt plaats in de iets meer dan vier weken tussen uit het ei komen en uit het nest gaan. Tegen de tijd dat de valkjes gaan uitvliegen, ongeveer 29 dagen na uit het ei komen, hebben zij vaak alleen nog op rug, schouders en kop wat plukjes grijs dons, maar soms zelfs dat niet.
Op de foto's hieronder staan jongen in diverse leeftijden, met het daarbij passende dons- of verenkleed.

Uit het nest vallen

Soms vallen of waaien jongen uit het nest. Als dit gebeurt op een leeftijd dat zij zichzelf nog niet warm kunnen houden, zal dit fataal zijn. Als ze niet meer warm gehouden hoeven te worden, dan hebben ze de kans om het te overleven, omdat moeder boomvalk een jong ook op de grond van voedsel blijven voorzien, vooropgesteld dat er voldoende aan- en afvliegruimte is en het jong niet ten prooi valt aan rovers, voor wie zo’n jong een makkelijke prooi kan zijn op momenten dat een van de ouders er niet is om het jong te verdedigen.

Een waarschuwing voor goedbedoelende natuurliefhebbers is op zijn plaats.
Niet elk op de grond zittend jong is uit het nest gevallen en moet geholpen worden. Het kunnen ook boomvalken zijn die pas uitgevlogen zijn en op de grond beland zijn. Deze kunnen zich heel goed zelf redden. Oudere uitgevlogen jongen zitten sowieso vaak op de grond, in ieder geval in open gebieden, zoals akkers. Boomvalkjongen die al volledig bevederd zijn, hoeven over het algemeen dan ook niet geholpen te worden.

Het voederen

Als de jongen nog erg klein zijn, voert moedervalk kleine stukjes vlees, die zij met haar scherpe snavel van de prooi afplukt. Tussendoor nuttigt zij zelf de grote brokken.

De moedervogel voedt de jongen om de beurt. Wie niet aan de beurt is, wacht geduldig af. Pas als het gevoerde jong verzadigd is en er nog wat over is, schuifelt een ander jong voorzichtig dichterbij om een graantje mee te pikken. Een variant hierop is dat moedervalk voor de jongen zit en elke keer een brokje vlees en veren in een ander bekje propt. Ook hier is er geen agressiviteit tussen jongen onderling.

Een prooi wordt compleet weggewerkt, zelfs de lange vogelpootjes met klauwtjes verdwijnen in de jonge vogelmagen. Dit gaat niet altijd gemakkelijk. Soms trekt moedervogel het moeilijk weg te slikken pootje even terug, waarna het jong het alsnog doorslikt. Op zo'n moment blijkt dat er naast de meestal zichtbare snavelpunt een mondplooi van formaat zit.

Na een dag of 20 laat het vrouwtje de prooi achter op het nest. Eraan voorafgaand roept zij een luid en snel herhaald 'wie-wie-wie'. De jongen kijken op dat moment nieuwsgierig en verwachtingsvol naar haar uit. Dan landt zij op de nestrand, legt de prooi neer, kijkt enkele seconden om zich heen en vliegt er weer af. Vaak landt zij niet ver van het nest op een post om daar verder te gaan met haar geroep. Tegelijkertijd klinkt meestal ook ergens in de buurt van het nest het 'pit-pit' van het mannetje.

De jongen storten zich enthousiast op de prooi om hem samen te verscheuren en op te eten. Zij proberen ieder aan hun trekken te komen (wat vaak letterlijk op trekken aankomt). Hoewel ze krachtig aan een prooi kunnen trekken en soms een verkregen deel mantelend afschermen, zijn ze jegens elkaar nooit agressief. Dit mantelen is overigens niet altijd effectief, want soms duikt een broer of zus onder de omhoog gehouden vleugels door en grist zo toch de buit onder de ander weg.
In dit stadium treedt het vrouwtje soms nog corrigerend op met een aparte voedering aan het jongste en kleinste jong, zodat ook dat voldoende voedsel binnenkrijgt.

In deze periode, dus als de nestjongen al wat ouder zijn, brengt ook het mannetje soms (maar veel minder vaak dan het vrouwtje) een prooi naar het nest.

moeder boomvalk bij jongen op nest

Na het voederen vliegt het vrouwtje van het nest af

Mannetjes op het nest bij de jongen: een schaars verschijnsel

Soms, maar zeker niet vaak komen mannetjes dus op het nest als er jongen op zitten. Er is ook gezien dat mannetjes prooien naar het nest met de jongen brengen, waar het vrouwtje de prooi aan de jongen voert. In alle jaren, bij alle door mij gevolgde koppels, is het echter voornamelijk het vrouwtje dat het voeren voor haar rekening neemt. Het mannetje doet het veel minder vaak en als hij het doet, beperkt hij het tot het droppen van een prooi op het nest.

Na-Balts (balts nadat de jongen zijn uitgekomen en/of uitgevlogen)

Vanaf het moment dat het vrouwtje op het nest zit, leeft het boomvalkenpaar volgens een tamelijk strikte rolverdeling: zij broedt, hij jaagt. Zij komen elkaar tegen bij de prooioverdracht, maar daarna doen zij ieder weer hun ding. Zijn de jongen eenmaal uit het ei, dan lijkt het wel of het mannetje dat wil vieren. In deze periode zien wij hem namelijk weer baltsvluchten maken (rondjes vliegen rond de nestplaats, opschroeven en steil duiken, schokschouderen in de vlucht, vliegen in horizontale s-bochten of op en neer pendelen). Soms voegt het vrouwtje zich bij hem en maken zij samen capriolen. Tijdens deze baltsvluchten produceert het koppel vaak een typisch slepend geluid, dat melodieuzer en gevarieerder klinkt dan het gebruikelijke scala aan ‘ki-ki-ki’, ‘wie-wie-wie’ en ‘pit-pit-pit’ geluiden. Soms klinkt het als ‘kliep-kliep’. Ook wordt een meer torenvalk-achtig geluid gehoord: ‘srieeee-srieee.’

Hieronder twee foto's van een koppel tijdens de nabalts.

nabalts boomvalk

Naarmate de nestjongen ouder worden en niet meer heel de tijd beschut en warm gehouden hoeven te worden, neemt het vrouwtje ook weer deel aan de vogeljacht. Soms in haar eentje, maar regelmatig ook samen met haar man. Vanaf dat moment slaapt zij ook niet meer bij de jongen.

Takkelingstadium

De van het nest afgekropen jongen heten takkelingen (ook bij andere roofvogelsoorten). Zij klauteren in de buurt van het nest over takken of balken van een hoogspanningsmast. Daar worden ze ook gevoerd, dus niet per se meer op het nest. Een boomvalkenjong is niet erg lang een echte takkeling, want de veren en staart zijn in dit stadium al volledig bevederd, zodat zij ook al kunnen vliegen, zij het nog wat onbeholpen.
In de valkerij wordt een uitgevlogen roofvogel die nog door de ouders wordt gevoerd ook een takkeling genoemd, hoewel de eenmaal vliegende jonge boomvalken dus niet meer echt ‘takkelen.

Vleugeloefeningen

Om succesvol te kunnen uitvliegen, moet je wel kúnnen vliegen. De jongen trainen daarom hun vliegspieren door in de weken voor uitvliegen veelvuldig te fladderen. In het begin gaat dat onhandig, maar naarmate het punt van uitvliegen nadert, lijken de vleugels wel ventilatoren. Omdat ze al dagenlang vleugeloefeningen in het nest en op de rand van het nest achter de rug hebben, wagen ze na even takkeling geweest te zijn al gauw de sprong in het diepe: ze fladderen, uiteraard onwennig, weg van het nest of in een hoogspanningsmast naar een volgende balk.

De arm- en handpennen van de uitgevlogen jonge boomvalken zijn nog niet volgroeid en zorgen voor de typische stompe vleugelvorm. Ook is hun vliegkunst in deze eerste weken nog ver onder de maat: landen lukt niet, of slechts stuntelig met veel balanceren, wegglijden en door het bladerdak naar beneden duikelen, soms ook op de grond. Maar erg lang duurt het niet voordat ze de volgende poging ondernemen.

In 2010 zag ik drie takkelingen die probeerden neer te strijken op de nok van een dak met geglazuurde pannen.
Het was een koddig gezicht om de dieren steeds onder driftig fladderen de dakgoot te zien inglijden.

Ontwikkeling vliegkunst

De jongen fladderen in het begin weifelend met veel kleine pauzes, waarin zij zweven op gespreide vleugels. De ouders maken daarentegen krachtige slagen, waarmee zij zelfverzekerd en wendbaar de lucht doorklieven. De jongen doen in de volgende weken hard hun best om hun ouders te evenaren. Zij maken speelvluchten, waarbij zij elkaar achtervolgen of schijn-prooioverdrachten doen. Zij jagen achter torenvalken aan en proberen deze te verjagen. Of zij proberen een muis af te pakken. Ook kunnen zij steeds beter vliegende insecten vangen en in de lucht een prooi van de ouders overnemen.
Op de onderstaande fotoserie een impressie van het vliegende spel van twee jonge boomvalken.

speelvlucht boomvalkjong
spelende boomvalkjongen
spelende boomvalkjongen

Na 4 tot 6 weken na uitvliegen zijn zij bijna net zo bedreven als hun ouders. En dat is maar goed ook, want ook van de jongen wordt verwacht dat zij rond oktober beginnen aan een reis van duizenden kilometers zuidwaarts. Wie alleen nog maar kan fladderen, zou niet ver komen.
In deze fase zijn zij nauwelijks nog op vliegbeeld van hun ouders te onderscheiden, wat het in het veld uitermate lastig maakt om te bepalen wie wie is. Aan het verenkleed is het onderscheid nog wel duidelijk (de jongen hebben geen rode broekveren en hebben lichte zomen aan de randen van de veren van hun rug en bovenvleugels (geschubd uiterlijk), ook hebben zij nog een blauwgrijze snavel en oogring.

Onderstaande foto's: vliegende boomvalkjongen in verschillende stadia. De vierde foto toont een bijna volgroeid jong, ongeveer 5 weken nu uitvliegen. Op de andere foto's zijn onder andere de voor jonge vogels kenmerkende lichte veerzomen mooi zichtbaar.